

Dieppe is ontstaan in de monding van 3 rivieren: de Eaulne, de Varenne en de Béthune. De natuurlijke haven bood al vroeg veiligheid aan de Noormannen, vissers en piraten. De ligging van Dieppe tussen de zee aan de ene kant en moerassen aan de andere kant, was voor de hoofden van de Noormannen de reden om de eerste nederzetting precies daar te bouwen. In de XIe eeuw werd er in de monding al gevist en werden er al zoutwater vijvers voor het kweken van vis aangelegd. Doordat de monding goed beschermd lag tussen de rotsen (de falaises) kon de haven zich snel ontwikkelen voor handel en visserij op haring ten tijde van Willem de Veroveraar (midden elfde eeuw). Onder Henri II Plantagenêt werd in 1168 een aanvang gemaakt met de Saint Jacques kerk, die op de pelgrimsroute naar Compostella lag. Na de brand in 1195 werd de kerk afgebouwd in de XIVe eeuw en verder verfraaid in renaissance stijl van het kasteel van Gaillon. Opmerkelijk is de muur der “wilden”, een fries voorstellende de mensen uit de contreien bezocht door de schepen van de reder Jehan Ango. Ook de graffiti avant la lettre door de zeelui die terugkwamen van hun gevaalrijke reizen zijn de moeite van het bekijken waard.
Visserij heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in Dieppe. Vanaf het jaar 1300 voorziet Dieppe Parijs van verse vis middels een lijndienst van karren die bekend staat onder de naam “chasse marée”.
In de XIVe eeuw werd een verdedigingstoren gebouwd. In 1443 werd deze toren opgenomen in het huidige kasteel van Dieppe. Charles Desmarets construeerde vier torens die door vuurstenen muren met elkaar verbonden werden. De buitenmuren werden in de XVIe en XVIIe eeuw verder uitgebreid. Tijdens de Franse Revolutie diende het kasteel als gevangenis en later nog als kazerne. Het kasteel werd in 1902 aangekocht door de stad Dieppe, om omgebouwd te worden tot museum, wat het nog steeds is. De ivoor collectie behoort tot de grootste van Europa. Ivoor werd vanaf de XVIe eeuw in Dieppe verhandeld en er waren vele ivoor ateliers.
De eerde genoemde reder Jehan Ango heeft in de XVIe eeuw Dieppe tot de belangrijkste haven van Normandië gebracht. De schepen van de reder voeren op Brazilië, West-Afrika, ontdekten de kusten van Massachussetts en kwamen tot ver in de Indische Oceaan. De handel bracht Dieppe een rijkdom die daarna nooit meer is geëvenaard. In de XVIIe eeuw vertrokken vele missionarisen vanuit Dieppe naar Canada.
1672 werd de haven ernstig beschadigd door een storm, waarna Colbert een programma start om de haven te renoveren. Echter, het werk de haven wordt vernietigd in 1694, evenals het merendeel van de huizen door het bombardement van de Anglo-Hollandse vloot. Koning Louis de XIVe verordonneerde de wederopbouw, waarna ingenieur Ventabren deze taak op zich nam. Het huidige aangezicht van Dieppe stamt uit die tijd. De eerste haven achter sluisdeuren, genaamd Bérigny, werd tussen 1806 en 1839 aangelegd en later vergroot in 1866. De tweede haven, Duquesne, werd tussen 1839 en 1848 aangelegd. De derde haven, Retenue, werd tussen 1866 en 1870 aangelegd. In 1994 werd de huidige terminal aangelegd voor de ferry naar New Haven, de lijndienst met Engeland die sinds 1744 bestaat.
Sedert 1823 heeft het “zeebaden een sterke impuls gekregen onder Hertogin de Berry, hetgeen de internationale aristocratie aantrekt. Schilders, musici en schrijvers (Alexandre Dumas, de auteur van de Drie Musketiers en de Graaf van Monte Christo, sterft in Puys in 1870, op ongeveer 200 meter van Villa Marine) ontdekken Dieppe, de zee en het “Normandische licht”. Aan Marie-Caroline, hertogin van de Berry, wordt in 1827 een Italiaans theater aangeboden. De roem van Dieppe als toeristische plaats is geboren.
De kust van Dieppe kent een dramatisch moment in de recente historie. Op 19 augustus 1942 werd een invasie uitgevoerd door 5 000 Canadezen, 1 100 Engelsen, 50 Amerikanen en enkele Franse vrijheidsstrijders. Medogenloos werden meer dan 1 200 man gedood, 3 000 gewond of gevangen genomen. De invasie was bedoeld om de sterkte van de Duitsers te testen en als voorbereiding voor de grote invasie in 1944. Deze invasie staat bekend onder de naam Operatie Jubilee.
Operatie Jubilee begon op de mistige ochtend toen meer dan 250 schepen om kwart voor vijf ’s morgens de mannen aan land zetten. Op vier punten werd de invasie ingezet: Berneval, Puys, Pourville en Quiberville. Na een half uur zou Dieppe zelf worden aangevallen. De verdediging bestond uit lange afstandskanonnen, mortieren, mitrailleursnesten, bunkers, metershoog prikkeldraad en bovenal de verticale rotswanden: de falaises.
De 600 man van het Royal Regiment of Canada en de Black Watch of Canada troffen het zeer slecht bij de landing in Puys. Elk huis was veranderd in een fort, er was een vier meter hoge betonnen muur op het strand opgetrokken. Tot overmaat van ramp waren ze, door een ontmoeting met een klein Duits konvooi, 20 minuten later dan de geplande aankomsttijd op de plaats van bestemming. De dageraad verraadde hun aankomst. In slechts enkele minuten zijn er nog slechts enkele tientallen soldaten nog in staat te vechten. Om half negen, na 3 uur vechten, geven de overlevenden zich over. Slechts enkele mannen onder het commando van kolonel Cato konden 2 versterkte huizen veroveren. Nadat tot terugtrekking werd besloten, waren ze afgesneden van de zee en ook zij moesten zich na enkele uren overgeven.
Op het strand van Puys staat nu een moment ter nagedachtenis aan de gebeurtenis. Het Silver Cross Monument in de Dieppe Gardens in Windsor, Ontario is de Canadese tegenhanger. Nu is Dieppe een rustige vallei met vele villa’s. De bunkers herinneren aan een geweldadige periode.
Tot op de dag van vandaag wordt op 19 augustus een herdenking in Dieppe gehouden.
